Het is halverwege de middag in Het Vredehofhuis. In de huiskamer is het rustig; een paar bewoners kijken televisie, terwijl anderen in stilte uit het raam kijken. Aan het einde van de gang gaat de deur van Martha’s studio open. Met kleine, onrustige passen loopt Martha de gang in. Ze kijkt om zich heen en zucht diep.
“Ik wil naar huis,” zegt ze zacht tegen mijn collega die haar tegemoet loopt.
Mijn collega glimlacht vriendelijk en antwoordt: “MaarMartha , u bent al thuis. Uw studio is daar achter in de gang.”
Ze lijkt de woorden niet te begrijpen
Martha kijkt haar vragend aan. Ze lijkt de woorden niet te begrijpen. Even blijft ze stilstaan, maar al snel draait ze zich om en loopt weer terug naar haar studio. Nog geen minuut later komt ze opnieuw de gang op.
“Mag ik naar huis? Ik wil naar de Beckmanstraat,” vraagt ze nu wat onrustiger. Ik weet dat Martha daar ooit gewoond heeft, maar dit is niet haar laatste woonadres.
Opnieuw probeert mijn collega haar gerust te stellen door haar te vertellen dat ze al thuis is. Maar de uitleg lijkt Martha alleen maar meer in verwarring te brengen. Haar passen worden sneller terwijl ze heen en weer loopt tussen haar studio en de huiskamer. Ze blijft dezelfde vraag herhalen. De spanning is zichtbaar in haar gezicht.
Langzaam verandert Martha’s gezichtsuitdrukking
Ik zie wat er gebeurt en besluit het anders aan te pakken. Ik loop rustig naast Martha en zeg: “U wilt graag naar huis. Dat lijkt me een naar gevoel.”
Martha kijkt mij aan en knikt. “Ja… ik wil naar huis.”
“Vertelt u eens,” vraag ik rustig, “hoe zag uw huis eruit?”
Langzaam verandert Martha’s gezichtsuitdrukking. Ze begint te vertellen over haar woning. Ze had een balkon, geen tuin en ze vertelt dat ze graag naar de winkels liep. Daar dronk ze dan koffie. Terwijl ze vertelt, ontspant haar houding zichtbaar. Ik luister aandachtig, stel af en toe een vraag en loopt rustig met Martha mee.
Na een paar minuten zeg ik: “Dat klinkt als een fijne plek. Zullen we samen een kopje koffie drinken? Dan vertelt u me nog meer over uw wandeling naar de winkels en uw huis in de Beckmanstraat.”
Martha glimlacht. “Ja, dat is goed.”
In gesprek met een bewoner die ook graag winkelt
Samen lopen we naar de huiskamer. Tijdens de koffie vertelt Martha verder over vroeger. Ze lacht wanneer ze een mooie herinnering ophaalt en raakt in gesprek met een andere bewoner die ook graag ging winkelen. De onrust die haar enkele minuten eerder nog volledig in beslag nam, lijkt verdwenen.
Haar mooie lach komt steeds vaker terug
De collega’s beseffen dat Martha niet zozeer op zoek was naar haar oude huis, maar naar het gevoel dat ’thuis’ voor haar betekende: veiligheid, geborgenheid en verbondenheid. Door haar niet te corrigeren, maar aan te sluiten bij haar beleving, voelde Martha zich gezien en begrepen.
Mijn collega’s proberen vaker op deze manier te reageren. Ze zoeken eerder contact met Martha op de momenten dat ze alleen is en betrekken haar vaker bij de activiteiten in de huiskamer. Langzaam merken zij dat haar onrust afneemt en dat haar mooie lach steeds vaker terugkeert.